1. wat is de bedoeling?
- Een leider inspireert en leert anderen waarom iets moet gebeuren.
- Een baas vertelt wat je moet doen en controleert hoe je het doet.
2. Emotionele intelligentie
-
Een leider laat zich leiden door het wezenlijk begrijpen van mensen en hun emoties.
-
Een baas laat zich leiden door kennis van zaken.
3. Performance
-
Een leider wil dat jíj het gevoel hebt succesvol te zijn.
-
Een baas wil dat je presteert.
4. Vertrouwen
-
Een leider zorgt dat mensen zélf vertrouwen opbouwen zodat ze verantwoordelijk kunnen zijn.
-
Een baas houdt mensen verantwoordelijk.
5. zelfReflectie
-
Een leider reflecteert op de impact van de passie en inspiratie waarmee hij mensen inspireert en beïnvloedt.
-
Een baas reflecteert op de verworven macht op basis van de titel en positie in de hiërarchie.
6. Autoriteit
- Een leider is (totaal) niet afhankelijk van autoriteit of positie.
- Een baas is (compleet) afhankelijk van autoriteit en positie.
7. Vergezichten
-
Een leider focust op wat nu het beste is om te doen, met het oog op de lange termijn.
-
Een baas focust op wat nu speelt, is reactief en richt zich op de korte termijn.
8. Besluiten
-
Een leider neemt beslissingen voor het bestaansrecht en de toekomst. Daarmee wordt elk besluit ‘visionair’ ondersteund.
-
Een baas neemt beslissingen op basis van de huidige concurrentie. Daarmee wordt elk besluit ‘kort op de bal’ en adhoc-erig.
9. Drijfveren
-
Een leider wordt gedreven door passie en purpose.
-
Een baas wordt gedreven door controle en reactief handelen.
10. Doelen
-
Een leider wil dat mensen boven hem uitstijgen.
-
Een baas wil de baas zijn.
11. Plezier
-
Een leider haalt plezier uit het succes van anderen.
-
Een baas haalt plezier uit eigen succes.
12. Communicatie
-
Een leider zorgt voor verbinding en vertrouwen, zodat mensen hem vertellen wat hij moet horen.
-
Een baas zorgt dat mensen hem ‘vrezen’ zodat zij hem vertellen wat hij wil horen.